Het examen Voertuigbeheersing bestaat uit twaalf oefeningen. Op je examen doe je er zeven. Vier oefeningen zijn verplicht, de rest kiest de examinator uit. Iedere oefening mag je één keer overdoen. Het gaat er bij alle oefeningen om dat je de examinator op overtuigende wijze demonstreert dat je de motor beheerst. Bij lage snelheden, bij hoge snelheden en uiteraard bij het remmen.

1. Lopend achteruit parkeren in een (parkeer)vak. (Verplichte oefening)
De motorrijder parkeert al lopend de motor achteruit in een (parkeer)vak. Hij handelt zodanig dat hij met de motorfiets in evenwicht blijft en er geen gevaar, hinder of schade ontstaat. Ook let de examinator op het gebruik van de standaard.
2. Stapvoets rijden
De motorrijder rijdt stapvoets in een rechte lijn. De examinator let voornamelijk op snelheid, balans en een juiste bediening.
3. Langzame slalom (Verplichte oefening)
De motorrijder rijdt in een slalom (bochten links- en rechtsom) tussen alle pylonen door. De examinator let voornamelijk op het in balans houden van de motor in combinatie met een juiste bediening.
4. Wegrijden uit (parkeer)vak
De motorrijder rijdt vanuit stilstand een gecontroleerde bocht naar links of naar rechts. Deze keuze is aan de examinator.
5. Halve draai
De motorrijder maakt binnen een denkbeeldige rijbaanbreedte in één vloeiende beweging een halve draai naar links of naar rechts. Deze keuze is aan de examinator.
6. Denkbeeldige acht
De motorrijder rijdt een complete acht binnen een rechthoek.
7. Preciesiestop
De motorrijder voert een gelijkmatige remming uit waarbij deze net voor het tweede poortje tot stilstand dient te komen.
8. Stopproef
De motorrijder voert een technisch juiste remming uit met een korte remweg, zonder dat er sprake is van een noodstop.
9. Noodstop (Verplichte oefening)
De bestuurder voert een maximale remming uit zonder de controle over de motorfiets te verliezen.
10. Uitwijkoefening (Verplichte oefening)
De motorrijder ontwijkt een obstakel door naar links uit te wijken. Na het uitwijken moet de motorrijder weer terugkomen op de eigen weghelft.
11. Vertragingsoefening
De motorrijder accelereert vanuit stilstand naar de 50 km/u. Vervolgens dient er vertraagd te worden om uiteindelijk een slalom te maken.
12. Snelle slalom
De motorrijder rijdt met een snelheid van minimaal 30 km/u in een vloeiende lijn een combinatie van linker- en rechterbochten.
Call Now ButtonWordPress Cookie Notice by Real Cookie Banner